Ronkende motoren

 

Nog een verhaal over de tocht van gisteren.
Een relaas van hoogtepunten en diepe dalen in een enerverende rit door het Zeeuwse land.

De schrijver.

 

De nestor van het gezelschap kan het niet laten om het meisje van de uitsmijters te vragen: ‘Komt die gek hier iedere dag de rust verstoren?’.
We zijn aangeschoven voor een heerlijke lunch met het gezelschap waarmee we op die knetterhete vrijdag het befaamde pontje-pontje rijden.
Zo rond de 60, 70 kilometer onderweg voor zo’n 120 in totaal heeft de altijd weer voortreffelijke ploegbaas ons naar de gezellige terrassen van het vliegveld gedirigeerd.
‘Kunnen we wel buiten eten’, kijkt de meest imposante gestalte van ons clubje het meisje achter de kassa nogal dwingend aan.
‘Ja hoor, dat kan, wel op gepaste afstand van elkaar hoor’.

De ‘koperen ploert’ is al aanwezig.

 

De TC Axel is met zo’n vijftien man en route op de heetste dag van de eeuw, zo lijkt het wel.
Twee gastrijders, verder alleen de bekende, blauwe tenues.
‘Kan het niet wat zachter’, klinkt het vanuit het peloton als we als een kudde jonge stieren uit de start zijn geschoten op De Griete.
We rijden het kronkelende stukje over 18 kilometer naar de boot bij Bar Goed in een half uur.
‘Het is alleen maar om de spieren even los te trappen’, maakt de tempobeul op kop een excuus voor zijn onstuimigheid.
De kleine ploegbaas klinkt bemoedigend: ‘zo gaat het niet de hele dag hoor.’

Zit ze er hier al door?

We mogen nog niet.

 

Het bootje opent zijn deuren pas om vijf voor negen en meert zo’n drie kwartier later (wie wil er koffie met appeltaart?) weer aan.
Het zeewindje op het dek heeft heerlijk door de meestal al wat grijzende of uitgedunde haren geblazen.
De ploegbaas legt de route verder uit, de tempomakers worden geïnstrueerd, alles wijst erop dat het stilaan wat heter wordt.
Het belooft een gezellige rit met een verschroeiende finale te worden.
Ik hoor dat er van achteruit een gele kaart wordt uitgedeeld aan één van de koprijders, net voor Langeweegje, het Bevelandse dorpje waar ooit Johnny H (die van het prikkeldraad in de Tour) zijn eeuwige liefde aan een rondborstige, Friese wielrenster heeft uitgesproken.

We bekvechten even met een wegpiraat, die wij voor zijn onhandige manoeuvre vriendelijk aanspreken, maar die door zijn open raam, met zijn onverstaanbare Bevelandse accent, kreten van wartaal uitslaat.
De thermometer stijgt zachtjes boven de dertig, het tempo is aangenaam, zelfs voor de gastrijder die zijn come-back maakt, er is tijd voor sappige verhalen, voor een kwinkslag, een kleine schijnbeweging onderweg naar het laatste dorpje voor de stop, een opbeurend zangkoortje van de meiden en dan komt ’Midden Zeeland’ in zicht.
Het is opvallend druk met vliegtuigjes die soms frivool en af en toe ook onheilspellende slaloms maken.

Deze maakten geen lawaai.

 

De serveersters zijn bovenal jeugdig, goedlachs, bijna net zo frivool en onheilspellend en zijn al lang immuun geworden voor wat zich op de vliegpiste afspeelt.
Wij worden, met al die smeuïge uitsmijters en andere heerlijkheden op de borden, haast gek van een onverlaat, die kennelijk zo’n over het paard getild en verwend ’vroem-vroem type’ is met een steenrijke vader en het gezelschap op het terras wil demonstreren hoe hard hij zijn motor kan laten ronken zonder een meter vooruit te komen.
Minpuntje van de verder zo vlekkeloze tocht?
Welnee, de sfeer is best uitbundig, wij zijn niet van die opgewonden types.

Zeemeerminnen.

Geen gezicht.

Vermomd.

De zweetdoekjes zitten verkeerd.

Zie u al iets komen?

 

Twintig kilometer te gaan naar de volgende stop, op het bootje naar Breskens, waar wij worden gesommeerd om de mondkapjes te dragen.
En daarna: op naar die gevreesde, verschroeiende finale, Breskens-Terneuzen, tegenwind, naar de piek van honderd kilometer in een hitte die volgens de teller op z’n hoogtepunt 39 graden aangeeft.
De eerste tekenen van verval, van zware benen, een tanend moraal, nogal schokkerige tempowisselingen, leeg rakende en veel te warme drinkbussen, onderdrukte kreetjes op z’n Zoetemelks (pfff, is het nog ver) en uiteindelijk, op tien kilometer van de finish, bezwijkt de man van de come-back onder de hitte.
Flinke jas uitgedaan, heet dat in wielertermen, geen moraal meer, op z’n adem getrapt, uit de waaier gereden, een hongerklop, rijp voor de bezemwagen.
De Tourradio zou onverbiddelijk zijn: Abandon.

Het gezelschap van TC Axelaars blinkt uit door hechtheid: samen uit, samen thuis.
De Strava fanaten moeten even slikken: een forse daling van het gemiddelde in die laatste tien kilometer.
Het beeld dat overheerst is: aandoenlijke teamspirit en prachtig knechtenwerk van renners met de reputatie van kopmannen.

(Het gezelschap: Giel, Bram, Monnie, Leo, Renato, Frans, Irma, Lia, Elize, Pascal, Rob, Gerrit, Pascal, Peter, Frits)
Tekst: Frits Bakker

 

Volgend bericht

Speak Your Mind

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.