Klimmen

 

Het is nu bewezen: ik ben geen klimmer.

Op mijn fiets ben ik naar de top van de Mont Ventoux gegaan.
Eerlijkheid gebiedt mij wel te zeggen dat ik maar een klein deel van de berg gefietst heb, wél het bovenste gedeelte.

Mijn kleinzoon zou die ‘Kale berg’ driemaal beklimmen voor een goed doel.
Zijn eerste beklimming begon in Malaucène en op zo’n zes kilometer onder de top stond ik hem op te wachten.
Hij wist hier niets van.

De berg.

 

De camping waar ik op verbleef, lag op die hoogte: voor mij mocht het nog wat hoger liggen.
De weg van de camping naar de rotonde viel voor mij al zwaar en ik besloot een stukje naar boven te trappen als training.
Na tweehonderd meter moest ik al stoppen, het ging voor geen meter.
Even rusten en terug naar de rotonde om hem daar op te wachten.
Mijn zoon flitste voorbij en riep dat Pjotr in aantocht was.
Ik besloot om hem tegemoet te fietsen.

Koud en winderig, maar heel rustig.

 

Daar kwam hij aan en zoals we gewend waren, fietsten we samen verder de berg op.
In stilte en ik op kop, alsof we een tochtje door de polder maakten.
Net onder de boomgrens moest ik hem laten gaan en moest van de fiets af.
Mijn hartslag en ademhaling moesten tot rust komen.

Eigenlijk ben ik onvoorbereid op weg gegaan.
Wat Franse boterhammen met bosbessenjam, een paar koppen thee en mijn fietsshirt met lange mouwen aan.
Als versnelling had ik 39 x 28 staan, en daar trapte ik al gauw op.
Er viel voor mij niets meer te schakelen.

Circelzagen achterop bij een ander.

 

Na een aantal minuten toch weer op de fiets gestapt en stampte verder naar boven.
Ik was al ver gekomen, de wil om de top te halen werd sterker!
Blik op oneindig en verstand op nul, letterlijk.
Blazend en rochelend trapte ik voort.
Ik haalde zelfs iemand in, onnodig te schrijven dat ik door velen voorbij gereden werd.

Gewoon afzien.

 

Dan kom je op het kale gedeelte, langs de afscheiding met al die paaltjes met nog twee bochten voor je.
Aanmoedigingen van toeschouwers waren aan mij niet besteed, ik stampte onverdroten door.
Zelfs de fotografen konden mij niet verleiden tot een glimlach, een grimas van inspanning was mijn vertoon.
Hun kaartje werd in het zakje van mijn shirt gestoken.

Niet nodig.

 

Nog één bocht te gaan en achter mij zaten er twee nog rustig te keuvelen.
Waar haalden die lui hun adem vandaan die ik zo miste?
Ze hadden het erover dat je goed moest drinken.
Zal wel, maar ik dronk geen druppel, bang om mijn ritme van ademhaling te verstoren.
Eigenlijk dwongen ze mij ongemerkt om door te gaan, niet op te geven nu ik er zo dicht bij was.

Niet luisteren.

Gewoon doorstampen.

 

De laatste bocht door, de top is in zicht.
Nog even dat steile stukje en mijn benen konden tot rust komen.
Wonderbaarlijk ging dat goed, ik zat zowaar in een cadans.
Eindelijk stopte ik bij het beroemde bord.
De Fransen hebben me ook geholpen: die berg bleek ineens drie meter lager te zijn en dat scheelde een stuk.

Toch trots en de berg is gekrompen.

Snoepje voor onderweg?

 

Vier minuten eerder was mijn kleinzoon boven gekomen en stond daar op zijn gemak een reep te eten en zijn windstopper aan te trekken.
Trots op mezelf ben ik naast hem gaan staan en er is altijd wel iemand die een foto van ons beiden wil nemen.

Samen.

 

Hij ging verder naar beneden naar Bêdoin en ik hoefde alleen maar mijn fiets om te draaien.
Terug naar de camping.
Nog even mijn regenjas aangetrokken en met een vaart, zonder trappen, naar beneden.
Vijfenzestig op de teller en mijn fiets stuurde feilloos, niets mis mee.
Terug bij de tent stapte ik moe maar tevreden van mijn fiets.

Moe maar voldaan.

 

Het lag niet in de bedoeling die klimtocht, maar je kleinzoon een stukje helpen moet kunnen.
Voor een niet-klimmer vond ik dat het goed gedaan was.

 

Volgend bericht

Speak Your Mind

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.